‘Gaudeamus igitur’ is het studentenlied dat aan universiteiten over de hele wereld bekend is. Het gaat dan ook terug op een eeuwenlange traditie.

Het lied staat ook bekend onder de titel ‘De brevitate vitae’ (Over de kortheid van het leven). Dit verwijst naar een gelijknamige verhandeling van Seneca de Jongere (4 vC – 65 nC) waarin hij aanspoort om te filosoferen om de zinloosheid van het bestaan te bestrijden. De middeleeuwse studenten waarbij het lied ontstaan is waren wellicht vertrouwd met het werk van Seneca.

De oudste bron die een opvallende gelijkenis vertoont met het Gaudeamus komt uit een manuscript uit 1267, dat in de bibliotheek van Parijs te vinden is. Het vermoedelijk in Engeland geschreven manuscript bevat een eenstemmige conductus (gezang dat de processie begeleidt) met de titel ‘Scribere proposui’ (Ik heb mij voorgenomen te schrijven). Strofes 2 en 4 zijn vergelijkbaar met strofes 3 en 2 van de door ons gekende tekst.

2. Vita brevis, brevitas in brevi finietur;
mors venit velociter et neminem veretur;
omnia mors perimit et nulli miseretur.
Surge, surge, vigila, semper esto paratus!

4. Ubi sunt, qui ante nos in hoc mundo fuere?
Venies ad tumulos, si eos vis videre:
Cineres et vermes sunt, carnes computruere.
Surge, surge, vigila, semper esto paratus!

De vraag ‘Ubi sunt qui ante nos fuerunt?’ (Waar zijn zij die voor ons kwamen?), vaak kortweg ‘Ubi sunt’ of ook ‘Ubi nunc’ is een bekend motief in middeleeuwse poëzie. Het is een overpeinzing over de vergankelijkheid van het leven, die door de eeuwen heen ook in andere talen is blijven opduiken.

Door de volgende eeuwen heen vinden we flarden van het lied terug in teksten, men moet het dus mondeling hebben blijven overleveren. In het oudst bekende geschrift over Duitse studentengebruiken, ‘Dissertatio de norma actionum studiosorum seu von dem Burschen-Comment’ (1780), vinden we deze versie:

Dum relinquimus academias,
relinquimus quoque iura nostra.
‘Hic Rhodus, hic saltandum!’
‘Gaudeamus itaque, Burschii dum sumus!’
Utamur nostris iuribus,
praerogativis, immunitatibus!

De tekst zoals hij in de codex staat werd in 1781 neergeschreven door Christian Wilhelm Kindleben in zijn boek ‘Studentenliedern’. Kindleben was een Duits theoloog, schrijver en publicist die in hetzelfde jaar ook ‘Studenten-Lexicon’ schreef. In hoeverre hij de mondeling overgeleverde strofen zelf bewerkt heeft, is niet meer te achterhalen.

De melodie verscheen voor het eerst in druk in 1788. Johannes Brahms verwerkte de melodie in zijn ‘Akademische Festouvertüre’, die hij schreef in 1880 als bedanking voor de universiteit van Breslau, die hem een eredoctoraat geschonken had. Dit heeft ongetwijfeld bijgedragen tot de toenemende bekendheid van het lied. De ouverture wordt trouwens vandaag nog regelmatig uitgevoerd.

In de tweede helft van de 19de eeuw, de periode van de bloei van de Burschenschaften, begon het lied aan prestige te winnen en verwierf het zijn erkenning als academische hymne. In die tijd verspreidde het zich ook buiten Duitsland. Het werd bijvoorbeeld in 1888 uitgeroepen tot officiële studentenhymne van de universiteit van Bologna.

Bij Gentse studentenverenigingen wordt de eerste strofe soms gezongen wanneer een praesidiumlid of oud-praesidiumlid binnenkomt. Het lied kan ook gezongen worden als tweede of derde lied bij het inzetten van een cantus. In Gent zingen we dan strofes 1, 2 en 7. Hoewel er in Leuven geen vast gezongen strofes zijn, worden daar ook meestal strofes 1, 2 en 7 gezongen. Aan universiteiten over de hele wereld wordt het Gaudeamus gezongen ter gelegenheid van bepaalde plechtigheden, zoals de opening van het academisch jaar.